Het grote judo woordenboek
Het grote Judo-Woordenboek (Japans – Nederlands)
Om het overzichtelijk te houden voor je website, heb ik de termen ingedeeld in zes specifieke thema’s.
1. De Basis & De Dojo (Algemene termen)
- Ayumi-ashi: Gewone loopwijze (voet voor voet).
- Dojo: de trainingszaal.
- Judogi: Het officiële judopak (vaak kortweg ‘Gi’ genoemd).
- Judoka: Beoefenaar van het judo.
- Kiai: De strijdkreet (om kracht te verzamelen en de tegenstander te overrompelen).
- Kumi-kata: De manier van vastpakken (de pakking).
- Kyu: De leerlinggraden (gekleurde banden).
- Dan: De meestergraden (zwarte banden).
- Obi: De judoband.
- Rei: De groet (symbool voor respect).
- Sensei: Leraar / Meester.
- Tatami: De judomat (vroeger van rijststro, nu van schuimrubber).
- Tori: De uitvoerder van de techniek (degene die werpt).
- Uke: De ontvanger van de techniek (degene die valt).
2. De “Waza” (Technieken en Tactiek)
- Waza: Techniek.
- Kuzushi: Het uit balans brengen van de tegenstander (essentieel voor elke worp).
- Tsukuri: Het voorbereiden van de worp (het indraaien).
- Kake: De daadwerkelijke uitvoering/worp.
- Randori: Vrij oefenen (sparren).
- Uchi-komi: Herhaaldelijk indraaien zonder de worp af te maken (voor automatisering).
- Nage-komi: Het daadwerkelijk maken van worpen achter elkaar
- Yako-soku-geiko: Zonder weerstand uit beweging werpen
- Kata: Voorgeschreven stijlvormen (bijv. Nage-no-Kata).
- Ukemi: Valbreken (veilig landen).
- Mae-ukemi: Voorwaartse val.
- Ushiro-ukemi: Achterwaartse val.
- Yoko-ukemi: Zijwaartse val.
- Zempo-kaiten-ukemi: Voorwaartse rol.
3. Anatomie (Lichaamsdelen in technieknamen)
Veel worpen zijn vernoemd naar het lichaamsdeel dat het meeste werk doet:
- Ashi: Voet of been (bijv. Ashi-guruma).
- Goshi / Koshi: Heup (bijv. O-goshi).
- Te: Hand of arm (bijv. Te-guruma).
- Seoi: Schouder / Rug (bijv. Seoi-nage).
- Mune: Borst (bijv. Mune-gatame).
- Hiza: Knie (bijv. Hiza-guruma).
- Sode: Mouw (bijv. Sode-tsurikomi-goshi).
- Eri: Revers / Kraag (bijv. Eri-seoi-nage).
4. De Indeling van de Werptechnieken (Nage-waza)
- Tachi-waza: Staande technieken.
- Te-waza: Hand- of armworpen.
- Koshi-waza: Heupworpen.
- Ashi-waza: Been- of voetworpen.
- Sutemi-waza: Offerworpen (waarbij je zelf eerst naar de grond gaat).
- Ma-sutemi-waza: Recht naar achteren ‘offeren’ (bijv. Tomoe-nage).
- Yoko-sutemi-waza: Zijwaarts ‘offeren’ (bijv. Tani-otoshi).
5. Het Grondgevecht (Ne-waza / Katame-waza)
- Osaekomi-waza: Houdgrepen.
- Shime-waza: Wurgingen.
- Kansetsu-waza: Armklemmen.
- Toketa: De houdgreep is verbroken.
- Maitta: “Ik geef over” (aftikken).
6. Adjectieven (Woorden die de worp omschrijven)
- O: Groot (bijv. O-soto-gari).
- Ko: Klein (bijv. Ko-uchi-gari).
- Uchi: Binnen (bijv. Uchi-mata).
- Soto: Buiten (bijv. Soto-makikomi).
- Barai / Harai: Vegen (bijv. De-ashi-barai).
- Gari: Maaien (bijv. O-uchi-gari).
- Gake: Haken (bijv. Kosoto-gake).
- Guruma: Wiel / Draaien (bijv. O-goshi-guruma).
- Otoshi: Neervallen / Laten zakken (bijv. Tai-otoshi).
- Tsurikomi: Tillen en trekken (om de balans te breken).
- Yoko: Zijwaarts.
7. Tellen in het Japans (1 t/m 10)
Dit wordt bij de Academie vaak gebruikt tijdens de warming-up of bij uchi-komi series.
- Ichi (Ie-tsie)
- Ni (Nie)
- San (San)
- Shi / Yon (Sjie / Jon)
- Go (Go)
- Roku (Ro-koe)
- Shichi / Nana (Sjie-tsie / Na-na)
- Hachi (Ha-tsie)
- Ku / Kyu (Koe / Kjoe)
- Ju (Djoe)
8. Richtingen & Verplaatsingen (Shintai)
Essentieel voor het begrijpen van hoe je door de dojo beweegt.
- Mae: Voorwaarts (bijv. Mae-mawari-ukemi – voorwaartse rol).
- Ushiro: Achterwaarts.
- Yoko: Zijwaarts.
- Migi: Rechts.
- Hidari: Links.
- Shintai: Verplaatsingen van het lichaam.
- Tsugi-ashi: Aansluitpas (de ene voet volgt de andere zonder deze te passeren).
- Tai-sabaki: Lichaamsdraai (het wegstappen uit de aanvalslijn).
9. Uitgebreide Wedstrijd- & Scheidsrechterstermen
Voor de judoka die precies wil weten wat er op de mat gebeurt.
- Shiai: Een officiële wedstrijd waarbij je een beker/medaille kan winnen.
- Shiai-jo: De wedstrijdmat (meestal 8×8 of 10×10 meter).
- Joseki: De ereplaats (waar de jury of hoge banden zitten).
- Sore-made: Einde van de wedstrijd
- Hiki-wake: Onbeslist / Gelijkspel.
- Hansoku-make: Diskwalificatie (direct of na 3 shido’s).
- Shido: Licht vergrijp / Straf.
10. De “Geest” van Judo (Filosofische termen)
Om de diepgang van de Academie te benadrukken.
- Jita-kyoei: “Wederzijds welzijn en voordeel”. Samenwerken om beiden beter te worden.
- Seiryoku-zenyo: “Maximale efficiëntie met minimale inspanning”. De kracht van de ander gebruiken.
- Ju: Zacht / Meeverend (de ‘Ju’ in Judo).
- Do: De weg / Het pad (de ‘Do’ in Judo).
- Shin-Gi-Tai: De drie-eenheid van judo: Shin (Mentale instelling/geest), Gi (Techniek/vaardigheid) en Tai(Lichaam/kracht).
11. Aanvullende Begrippen voor de Gevorderde Judoka
- Gaeshi-waza: Overnames: (de kracht van de ander overnemen).
- Hikite: De trekkende hand (meestal de hand aan de mouw).
- Tsurite: De tillende hand (meestal de hand aan de revers).
- Jigo-tai: Verdedigende houding (door de knieën gezakt, zwaartepunt laag).
- Shizen-tai: Natuurlijke, rechtopstaande houding.
- Kansetsu: Gewricht (vaak in combinatie met Kansetsu-waza voor armklemmen).
- Renraku-waza: Combinatietechnieken (meerdere worpen achter elkaar).
- Sutemi: Letterlijk “het lichaam wegwerpen” (het offeren van je eigen balans).
- Tandoku-renshu: Schaduwboksen voor judo (alleen trainen zonder partner).
12. De Rol van de Partner
In een academie is de samenwerking cruciaal. Deze termen verduidelijken de rollen op de mat:
- Uke: De “ontvanger”. De persoon die de techniek ondergaat en leert goed te vallen.
- Tori: De “nemer”. De persoon die de techniek uitvoert en leert controleren.